Een echte Bommelaar

... met tienerkinderen die een vakantiebaantje hebben of zoeken, denkt terug aan de tijd dat je de tuinders langsging voor werk. Er was altijd wel een tuinder waar je terecht kon.

Ik begon op mijn dertiende samen met mijn broer bij een rozenkwekerij in de Leutsestraat. U weet wel, de Gazastrook. De ene kant van de straat hoorde bij Gameren, de andere kant bij Zaltbommel. Daar moesten wij pluizen.

Dat hield in dat we alle zijtakken moesten verwijderen zodat er een grote roos overbleef. Als we klaar waren met pluizen moesten we gaan bossen. Aan een lopende band roosjes erop leggen die dan op lengte gesorteerd werden en vervolgens per tien gebost. Daarvoor kregen we drie gulden per uur. Omgerekend ongeveer 1,35 euro! Maar we maakten dan weken van 80 uur. Dan had je toch maar mooi 240 gulden verdiend. Vandaag de dag had de Arbo allang ingegrepen.

Ik weet nog dat er een nieuwe kas gebouwd was. Moesten we met vier man alle leidingen verven. Mijn broer, Jan-Otto van Doesburg, Cockie Thomassen en ik, zei de gek. Kwam op een gegeven moment de tuinder naar ons toe: “Jongens, jullie moeten echt sneller werken, hoor. Cockie heeft alweer een blik verf leeg.” Ik zei maar niets en knikte van ja. Wist die man veel dat Cockie steeds gaten groef waar hij halve blikken verf in leeggooide.

Je kon ook chrysantenstekjes gaan poten. Dan kreeg je vaak per kistje of per bed uitbetaald. Als je gas gaf verdiende je wel tot twintig gulden per uur. Heb ik ook gedaan. Samen met mijn buurjongens, Arno en Carlo. Werkte ik samen met Arno, dan verdiende ik 20 gulden per uur. Met Carlo nog niet de helft. Maar dan had ik wel de hele middag gelachen.

Ook heb ik nog eens bij een kweker gewerkt waar ik duizendschoon moest snijden. De hele dag stond je dan voorover gebukt die bloemen te snijden. Ik kreeg medelijden met mezelf. Mijn broer had het beter voor elkaar. Die stond lekker rechtop de gesneden duizendschoon te bossen.

Na een week had de tuinder waarschijnlijk door dat ik dit niet heel lang meer ging volhouden. “Als jullie eens gaan wisselen”, zei hij tegen mijn broer. “Geen probleem”, antwoordde deze, “maar ik moet dan leren om te snijden en mijn broer moet leren bossen. Dit gaat waarschijnlijk ten koste van het tempo. Maar u beslist natuurlijk.”

U snapt het al, van je familie moet je het hebben. Een week later heb ik ontslag genomen. Ik heb nu nog last van mijn rug.

Meer berichten

Het lokale nieuws in uw mailbox ontvangen?

Aanmelden